Associëren met ijsberen
Wat heeft een ijsbeer met Kerstmis te maken? Zo op het eerste oog niets. Toch heb ik in kerstig gedecoreerde winkeletalages in Frankrijk vaak ijsberen zien staan. Nu horen de os en en de ezel bij de kerststal, maar ijsberen kwamen naar mijn weten in Bethlehem niet voor (1). Nee, achter de sfeervolle kerst-etalages zit ongetwijfeld de gedachtengang ‘Witte kerst-sneeuw-koud-ijsbeer’.
Nu waren het trouwens niet ‘zomaar’ ijsberen uit een groothandelscatalogus voor etalagemateriaal, maar kleine uitvoeringen van L’ours blanc van beeldhouwer François Pompon, uit 1922. In dit prachtige, witte, gladde beeld heeft Pompon de ijsbeer teruggebracht tot de essentie: zijn uiterlijk, zijn houding, zijn kracht.
Het beeld van Pompon kun je zien in het Musée D’Orsay in Parijs, maar er staat er ook één in het openlucht-beeldenmuseum Middelheim in Antwerpen. Tip: dat is veel minder druk, én dichterbij. In dat museum staat trouwens ook een grappig bootje dat ogenschijnlijk in de centrifuge heeft gezeten. Het zou zomaar een driedimensionaal plaatje uit een Belgisch stripboek kunnen zijn.
Maar nog even terug naar ijsberen (nu ik toch aan het associëren ben): in de tuin van buitenplaats Het Hoogeland in Utrecht staat een ander beeld van een ijsbeer, gemaakt door Marie-José Wessels. Het is een monument voor de “Polar Bears”, de bijnaam van een Brits/Canadese infanteriedivisie die bij de bevrijding op 7 mei 1945 als eerste de stad Utrecht binnentrok. Ook dit beeld geeft de kracht en de onverzettelijkheid van een ijsbeer weer, maar weer anders dan het beeld van Pompon.
En dan is er nog de ijsbeer van kunstenaar Florentijn Hofman (die ook het geweldige Feestaardvarken in Arnhem heeft gemaakt, maar dat terzijde). Ik laat jullie graag zelf ontdekken waarom zijn ijsbeer spraakmakend is. Zoek maar eens op. Een leuke kleine (grote) ontdekking!
(1) In de jaarlijkse grote kerststal in de Sint Jans-kathedraal in Den Bosch vind je trouwens allerlei dieren die je ook niet direct met het kerstverhaal associeert, zoals een giraf, een flamingo, een luipaard en nog veel meer. Ik associeer dat eigenlijk vooral met de ark van Noach (maar dan met opgezette dieren.)



Een stukje blog vullen met een gedicht zou kunnen duiden op schrijfluiheid, of op het willen pronken met andermans veren. Maar nee, ik heb een zuiver geweten: slechts pure bewondering is mijn drijfveer. Deze kleine ontdekking wil ik heel graag delen met de wereld, of in ieder geval met het exclusieve lezerspubliek van deze blog. Dit gedicht trof ik tijdens mijn fietsomzwervingen door Den Haag aan op een muur op het Alexanderplein (dat niet echt een plein is, maar een zijstraat van de Javastraat).
Ik hoor mensen met andere interesses vaak zeggen: ik heb niet zoveel met kunst, want ik vind heel veel dingen die ik zie helemaal niet mooi. Dat vind ik dan wel grappig, want ik ben namelijk een enorme liefhebber van kunst, maar ik vind heel veel dingen óók niet mooi. Dus dan blijken de niet-kunstliefhebber en ik best veel gemeen te hebben. Ach, het is misschien een kwestie van het halfvolle of halflege glas (zou het woord “kunstoptimist” al bestaan?), of van twee mensen die naar hetzelfde plaatje kijken waarbij de ene twee gezichten ziet, en de andere een vaas.
Natuurlijk is het allemaal een kwestie van persoonlijke smaak of je iets mooi of lelijk vindt. Soms kan je smaak ook veranderen, onder invloed van de tijd, mode, je omgeving of je persoonlijke ontwikkeling. In de architectuur hebben we onder invloed van de veranderende smaak in de vorige en in deze eeuw al vele stromingen voorbij zien komen, zoals traditionalisme, functionalisme, postmodernisme, deconstructivisme en nog veel meer. Een ongetwijfeld minder bekend “isme” is het non-estheticisme: dat ziet niet zozeer op een bouwstroming, als wel op de persoonlijke visie van degene die het bouwwerk bekijkt. Je denkt: wat een verschrikkelijk lelijk gebouw is dat. Maar je zegt: dit gebouw is een voorbeeldige uiting van het zogenaamde non-estheticisme, een stroming die nog steeds populair is en over de hele wereld teruggevonden kan worden.
Als kind heb ik nooit echt speciale belangstelling gehad voor mijn directe woonomgeving. De huizen, de straten, de stad Den Haag, ….. ik woonde er, liep er naar school, fietste er, ging met de tram ergens heen, het was er gewoon, wat was er nou helemaal voor bijzonders aan te zien?
Dat kinderen met een ander perspectief in dezelfde wereld rondlopen bleek ook toen ik eens ter voorbereiding op mijn Amsterdamse School-wandeling in Utrecht liep, foto’s en aantekeningen makend. Een groepje jongetjes dat aan het buitenspelen was wilde nieuwsgierig weten wat ik aan het doen was. Ik probeerde qua conversatie-niveau een beetje door de knieën te gaan –want ja, hoe leg je zo snel architectuur uit aan kinderen van een jaar of zeven, acht?- en vertelde dat ik hun wijk zó mooi vond, dat ik dat aan andere mensen wilde gaan laten zien. Ze keken me een beetje ongelovig aan. En dat van die Amsterdamse School was ook nieuw voor ze. Nee, duh, ze zaten op een Útrechtse school. En die Wilhelminakerk, nou ja, dat was eigenlijk gewoon een fijn klimtoestel. Ach, geef ze eens ongelijk. Zo krijgt functionalisme in de architectuur ineens een heel nieuwe betekenis. Gewoon.
Er valt namelijk onderweg naar de zon al van alles te zien, waar je anders misschien nooit aan toe zou komen. En ondertussen gaat je hoofd al heerlijk in de relax-stand, want je bént immers al op een bestemming, je ziet nieuwe dingen in een andere omgeving, de taal is anders en ’s avonds geniet je nog na bij ander eten, misschien wel een perfect gepaneerde wienerschnitzel met een biertje erbij. Morgen reis je wel weer verder, maar nu ben je lekker uit. Mijn principe is dan ook: “it’s not only about the destination, it’s also about the journey”.
